ECLI:NL:CRVB:2016:4852
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen sinds 1999 bijstand op grond van de WWB. In 2013 werd vastgesteld dat appellant een Audi had gekocht zonder dit te melden, en dat zij onvoldoende inlichtingen hadden verstrekt over bankgegevens en verzekeringsdocumenten. Na meerdere verzoeken en hoorzittingen verstrekte appellanten niet alle gevraagde gegevens, waaronder het aankoopbewijs van de Audi en volledige bankafschriften.
Het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug trok daarop de bijstand per 27 augustus 2013 in en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond maar vernietigde het boetebesluit vanwege het ontbreken van wettelijke grondslag ten tijde van het besluit, terwijl de rechtsgevolgen van de boete in stand bleven.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij alle benodigde inlichtingen hadden verstrekt en dat de boete niet bewezen was. De Centrale Raad oordeelde dat appellanten niet aan hun inlichtingenverplichting hadden voldaan, ondanks meerdere kansen, en dat het dagelijks bestuur terecht de bijstand introk en de boete oplegde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
De Raad vond geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en benadrukte het belang van volledige en tijdige informatieverstrekking voor de rechtmatigheid van bijstandsverlening.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de opgelegde boete wegens schending van de inlichtingenverplichting worden bevestigd.