ECLI:NL:CRVB:2016:4835
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant viel op 2 januari 2012 uit wegens lage rugklachten en vroeg op 2 november 2013 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op 18 februari 2014 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Na bezwaar verklaarde het UWV dit besluit op 31 juli 2014 ongegrond. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) correct was vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn rugklachten zodanig ernstig zijn dat hij de geselecteerde functies niet kan uitvoeren. Hij betoogde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening had gehouden met zijn klachten en dat het medisch onderzoek gebrekkig was. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de verzekeringsartsen zich een goed beeld hadden gevormd op basis van eigen onderzoek en informatie van de behandelend sector. De FML was aangepast om afwisseling in houding te waarborgen en appellant leverde geen medische onderbouwing voor zijn betwisting.
De Raad onderschreef de rechtbank in haar oordeel dat de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies niet werd overschreden. Het hoger beroep werd verworpen en het UWV werd niet veroordeeld in de proceskosten van appellant. De uitspraak bevestigt daarmee de afwijzing van het recht op een WIA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.