ECLI:NL:CRVB:2016:479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Appellant, geboren in 1938 in Nederlands-Indië, vroeg in november 2010 een uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). De Pensioen- en Uitkeringsraad wees dit verzoek in juni 2011 af wegens onvoldoende bewijs van oorlogsgeweld. Appellant maakte geen bezwaar, maar vroeg in mei 2013 om herziening, ondersteund met verklaringen van derden.
De Raad toetste het herzieningsverzoek terughoudend vanwege de discretionaire bevoegdheid van verweerder. De nieuwe verklaringen werden onvoldoende overtuigend geacht, mede omdat uit eerdere sociale rapporten bleek dat appellant en zijn gezin verhuisd waren voordat de geweldsuitingen plaatsvonden en er geen bevestiging was van betrokkenheid bij de genoemde ongeregeldheden.
De Raad concludeerde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden. Het beroep tegen het bestreden besluit werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de herzieningsaanvraag blijft gehandhaafd.