ECLI:NL:CRVB:2016:4753
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- M. Hillen
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder. Na een melding dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding zou voeren, startte de gemeente een onderzoek. Dit leidde tot een besluit tot intrekking van bijstand en terugvordering van €68.522,75 over de periode 1 juni 2009 tot en met 31 maart 2014, met hoofdelijk aansprakelijkstelling van appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stond de vraag centraal of sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad splitste de beoordeling in twee perioden: voor en na de geboorte van hun gezamenlijke kind in 2012. Uit verklaringen van appellanten en getuigen bleek dat appellant sinds medio 2009 het merendeel van de nachten op het uitkeringsadres verbleef en dat zij zorg droegen voor elkaar door gezamenlijke huishoudelijke taken en financiële bijdragen.
De Raad oordeelde dat de verklaringen, ondanks dat ze samenvattingen waren, betrouwbaar waren en dat de tegenbewijslevering onvoldoende was. De Raad bevestigde dat aan de criteria van gezamenlijke huishouding was voldaan en dat de intrekking en terugvordering terecht waren. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding worden bevestigd.