Uitspraak
K. van Ingen.
OVERWEGINGEN
dhr. [A.], geboren in 1936 en tevens AOW-gerechtigde, met appellant heeft samengewerkt en kan getuigen.
BESLISSING
SS
DÉCISION
groupe d’assurés.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1945, diende in juli 2013 een aanvraag in voor een AOW-pensioen. Hij stelde te hebben gewerkt in Nederland bij een werkgever in 1972-1973. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kon dit echter niet bevestigen: appellant stond niet ingeschreven bij de gemeente, was niet bekend bij het bedrijfspensioenfonds, en de werkgever kon niet worden achterhaald.
Appellant maakte bezwaar en verwees naar een getuige die met hem zou hebben samengewerkt. De Svb onderzocht dit, maar concludeerde dat deze getuige een AOW-pensioen ontving op basis van werkzaamheden bij een andere werkgever. Verder onderzoek bij betrokken instanties leverde geen bewijs op van het verblijf of de verzekering van appellant in Nederland in die periode.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 1972-1973 ingezetene was of onderworpen aan loonbelasting in Nederland. Ook andere omstandigheden die tot verzekering zouden leiden, zijn niet gebleken. De getuige werd niet gehoord omdat diens verklaring zonder andere bewijsstukken geen doorslaggevende waarde heeft.
Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het AOW-pensioen wegens onvoldoende bewijs van verzekering in 1972-1973.