ECLI:NL:CRVB:2016:4633
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens handel in qat zonder melding
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en woonde op een adres in Groningen. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellant qat zou verkopen vanuit zijn woning, voerde de gemeente een onderzoek uit met dossieronderzoek, camera-observaties, getuigenverklaringen en verhoren van appellant.
Het college besloot de bijstand over de periode 1 januari 2013 tot en met 22 april 2014 in te trekken en de kosten terug te vorderen omdat appellant geen melding had gedaan van zijn handel in qat, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat de onderzoeksbevindingen, waaronder observaties van veel bezoekers bij de portiek, aangetroffen administratie, geld en qat in de woning, en verklaringen van een getuige, voldoende grondslag boden voor het oordeel dat appellant in qat handelde. Appellant schond daarmee zijn inlichtingenplicht, ook al stelde hij geen inkomsten te hebben gegenereerd.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.