ECLI:NL:CRVB:2016:4608

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2016
Publicatiedatum
2 december 2016
Zaaknummer
16/2187 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 PW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet verstrekken polisblad zorgverzekering en niet verschijnen gesprekken

Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd uitgenodigd voor meerdere gesprekken met de gemeente Hengelo, waarbij ook werd verzocht om onder meer een polisblad van de zorgverzekering en een betalingsbewijs van de zorgpremie over te leggen. Appellant verscheen niet op de afspraken van 19 mei en 16 juni 2015 zonder bericht van verhindering en leverde de gevraagde gegevens niet aan.

Het college schortte de bijstand op per 19 mei 2015 en trok deze vervolgens in per die datum, omdat appellant het verzuim niet herstelde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij de brief met de gevraagde gegevens niet had ontvangen en dat hij vanwege medische omstandigheden niet kon verschijnen.

De Raad oordeelde dat appellant door een brief van 11 juni 2015 wel degelijk op de hoogte was van de gevraagde gegevens en dat de gevraagde polis en betalingsbewijs relevant zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Het niet verschijnen op de gesprekken was verwijtbaar, mede omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij de gevraagde gegevens niet op andere wijze had kunnen aanleveren. De intrekking van de bijstand was daarom rechtmatig en het hoger beroep werd afgewezen.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 19 mei 2015 wordt bevestigd wegens niet verstrekken van gevraagde gegevens en niet verschijnen op gesprekken.

Uitspraak

16/2187 PW
Datum uitspraak: 22 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
25 februari 2016, 15/2080 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.J.M. van Denderen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Denderen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.C.M. Noordink en M. Roemers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 15 september 2013 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Appellant is uitgenodigd voor een gesprek bij de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Hengelo op 22 april 2015 en 29 april 2015. Appellant heeft deze gesprekken afgezegd in verband met ziekte. Vervolgens heeft het college appellant bij brief van 7 mei 2015 uitgenodigd voor een gesprek op 19 mei 2015. Hierbij heeft het college appellant onder meer verzocht om sollicitatiegegevens, medische gegevens, bankafschriften, een polisblad van de zorgverzekering met betrekking tot 2015 en een betalingsbewijs van de zorgpremie mee te nemen. Appellant is op 19 mei 2015 zonder bericht van verhindering niet verschenen.
1.3.
Bij besluit van 19 mei 2015 (opschortingsbesluit) heeft het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW de bijstand met ingang van die datum opgeschort, omdat appellant niet op de afspraak van 19 mei 2015 is gekomen en niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt. Appellant heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen dit besluit. Het college heeft in het opschortingsbesluit nogmaals gegevens bij appellant opgevraagd en appellant uitgenodigd voor een gesprek op 21 mei 2015.
1.4.
Appellant heeft de afspraak van 21 mei 2015 afgezegd in verband met ziekte. Bij brief van 11 juni 2015 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 16 juni 2015, waarbij het college onder meer heeft verzocht om sollicitatiegegevens, medische gegevens, een polisblad van de zorgverzekering met betrekking tot 2015 en een betalingsbewijs van de zorgpremie mee te nemen. Appellant is op 16 juni 2015 zonder bericht van verhindering niet verschenen.
1.5.
Bij besluit van 16 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 19 mei 2015 beëindigd (lees: ingetrokken) met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW, omdat appellant het in 1.3 genoemde verzuim niet heeft hersteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand ingaande 19 mei 2015 op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in rechte stand kan houden. De beroepsgrond dat appellant de in 1.2 vermelde brief van 7 mei 2015, waarbij voorafgaand aan de opschorting van het recht op bijstand gegevens zijn opgevraagd, niet heeft ontvangen zodat hij niet op de hoogte was van de gevraagde gegevens en de opschorting daardoor onrechtmatig was, kan hem daarom niet baten.
4.2.
Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
4.3.
Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van
artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.
4.4.
Weliswaar is in het opschortingsbesluit voor de gevraagde gegevens verwezen naar de gegevens als vermeld in de brief van 7 mei 2015 en is niet nogmaals vermeld welke gegevens appellant over moest leggen, maar in de brief van 11 juni 2015 zijn deze gegevens nogmaals vermeld, zodat appellant door de brief van 11 juni 2015 in ieder geval van de gevraagde gegevens op de hoogte was.
4.5.
Appellant heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens te verstrekken. Appellant heeft aangevoerd dat hem hiervan geen verwijt kan worden gemaakt omdat de gevraagde gegevens zien op een onderzoek naar het verloop van een re-integratietraject en dus niet relevant zijn voor de vaststelling van zijn recht op bijstand. De bijstand is daarom ten onrechte ingetrokken. Deze beroepsgrond treft geen doel waar het gaat om het gedane verzoek om een polisblad van de zorgverzekering met betrekking tot 2015 en een betalingsbewijs van de zorgpremie. Ter zitting van de Raad heeft het college meegedeeld dat gebleken was dat de ouders van appellant een zorgverzekering ten behoeve van appellant hebben afgesloten en zijn zorgpremie voldoen. Appellant heeft dit bevestigd. Hierdoor is sprake van gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. De omstandigheid dat naast het polisblad en het betalingsbewijs van de zorgpremie ook gegevens zijn opgevraagd die zien op het re-integratietraject, betekent niet dat geen sprake was van onderzoek naar het recht op bijstand.
4.6.
Appellant heeft voorts aangevoerd dat hem van het niet verschijnen op de gesprekken, waaronder het gesprek op 16 juni 2015, geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij vanwege zijn medische omstandigheden niet in staat was op de gesprekken te komen. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een verklaring van 29 juli 2015 van zijn huisarts, die tevens zijn vader is, overgelegd. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Daartoe is van belang dat het college de intrekking niet alleen heeft gebaseerd op het niet verschijnen op het gesprek van 16 juni 2016, maar tevens op het niet verstrekken van de gevraagde gegevens. Appellant heeft niet gesteld dat hij niet in staat was, eventueel met behulp van derden, het polisblad van de zorgverzekering met betrekking tot 2015 en een betalingsbewijs van de zorgpremie op andere wijze aan het college te verstrekken. Van het niet verstrekken van deze gegevens kan hem dan ook een verwijt worden gemaakt.
4.7.
Hiermee is gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 19 mei 2015 in te trekken. Wat appellant heeft aangevoerd, levert geen grond op voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.
4.8.
Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2016.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) L.V. van Donk

HD