Uitspraak
mr. Van den Bos-Ackermans zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
Centrale Raad van Beroep
Appellante viel op 1 mei 2012 uit voor haar werk als managementassistente vanwege psychische en pijnklachten. Het UWV stelde bij besluit van 2 april 2014 vast dat zij recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 29 april 2014. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV bij besluit van 21 november 2014. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische beperkingen van appellante niet waren onderschat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 november 2014.
In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische beperkingen, chronische pijnklachten en vermoeidheidsklachten onvoldoende waren meegenomen en dat zij niet in staat was arbeid te verrichten. Het UWV verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de FML een juiste inschatting gaf van de belastbaarheid van appellante. Omdat appellante geen nieuwe informatie had aangeleverd, was er geen reden om aan deze inschatting te twijfelen.
De Raad concludeerde dat appellante met de vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht de betrokken functies te vervullen en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering wordt bevestigd.