ECLI:NL:CRVB:2016:4341

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 november 2016
Publicatiedatum
15 november 2016
Zaaknummer
16/458 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78z PWWet werk en bijstand (WWB)Participatiewet (PW)
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuiskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant verhuisde in december 2014 na het verbreken van zijn relatie en vroeg bijzondere bijstand aan voor woninginrichting en woonlasten. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvragen af, stellende dat deze kosten tot de algemeen noodzakelijke kosten behoren en uit eigen inkomen moeten worden betaald. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat verhuiskosten in principe uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden betaald, tenzij bijzondere omstandigheden dit verhinderen. Appellant stelde dat hij niet kon reserveren vanwege de onverwachte verhuizing en onvoldoende bijstand, maar maakte dit niet aannemelijk. De Raad vond dat appellant sinds 2012 voldoende tijd had om te reserveren en dat de stelling dat de ex-partner geen ruimte gaf om te reserveren onvoldoende was.

Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.

Uitspraak

16/458 PW
Datum uitspraak: 15 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
4 januari 2016, 15/3397 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.W.F. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
1.1.
Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet werk en bijstand (WWB) ingetrokken en vervangen door de Participatiewet (PW). Op grond van het in artikel 78z, derde lid, van de PW opgenomen overgangsrecht is in dit geval de PW het toetsingskader, omdat het bestuursorgaan op of na 1 januari 2015 heeft beslist op een vóór die datum ingediende aanvraag om bijzondere bijstand.
1.2.
Appellant is op 4 december 2014 verhuisd na het verbreken van de relatie met zijn ex-partner. Vervolgens heeft appellant op 8 december 2014 bijzondere bijstand op grond van de WWB aangevraagd voor de kosten van woninginrichting en voor woonlasten.
1.3.
Bij twee afzonderlijke besluiten van 9 februari 2015 heeft het college de aanvragen om bijzondere bijstand afgewezen.
1.4.
Bij besluit van 15 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 9 februari 2015 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor woninginrichting behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten moeten worden betaald uit het inkomen door te sparen dan wel een lening af te sluiten. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. De aanvraag voor de woonlasten is terecht afgewezen nu de huurprijs onder de wettelijke minimumhuurprijs ligt en appellant in aanmerking kan komen voor huurtoeslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, net als in beroep, aangevoerd dat ten onrechte wordt aangenomen dat hij heeft kunnen reserveren voor de kosten van woninginrichting. Het heeft weliswaar enige tijd geduurd voordat de woning beschikbaar kwam, maar de verhuizing was toch niet voorzienbaar. Daarnaast is de bijstand onvoldoende om te reserveren en kreeg hij van zijn ex-partner feitelijk niet de ruimte om te reserveren vanuit de bijstand.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De kosten van een verhuizing en inrichting van een woning worden tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel uit een inkomen op bijstandsniveau te worden bestreden, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.2.
Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen en dat deze in de situatie van appellant noodzakelijk zijn. Partijen zijn verdeeld over de vraag of bij appellant sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten.
4.3.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is geweest te reserveren of een lening af te sluiten voor de onderhavige kosten. De omstandigheid dat in 2011 sprake is geweest van een korte periode van verzoening met de ex-partner doet er niet aan af dat appellant sinds in ieder geval 2012 op zoek is naar andere woonruimte. Hierdoor heeft hij ruim twee jaar kunnen reserveren voor de kosten die samenhingen met zijn verhuizing in december 2014. Dat het hem aan reserveringscapaciteit heeft ontbroken heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat appellant van zijn ex-partner niet de ruimte kreeg om te reserveren maakt dit niet anders.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2016.