Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:4136

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2016
Publicatiedatum
28 oktober 2016
Zaaknummer
15-2307 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging UWV-besluit geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig steigerbouwer, meldde zich ziek wegens schouder- en psychische klachten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank onderschreef dit oordeel.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening had gehouden met medicatie en bijwerkingen, en dat de geselecteerde functies onterecht passend werden geacht. Het UWV verzocht om bevestiging van de eerdere uitspraak.

De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief beoordeling van medicatiegebruik. De beperkingen van appellant waren niet onderschat en de geselecteerde functies overschreden zijn functionele mogelijkheden niet. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en het UWV-besluit, en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

15/2307 WIA
Datum uitspraak: 28 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
20 februari 2015, 14/3211 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2016. Voor appellant is verschenen mr. Küçükünal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als steigerbouwer. Hij heeft zich op
28 november 2011 ziek gemeld wegens schouderklachten en psychische klachten. Bij besluit van 28 oktober 2013 heeft het Uwv, na medisch en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 30 november 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bij besluit van 9 april 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft, kort gezegd, de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De medische rapporten zijn te summier en de verzekeringsarts heeft ten onrechte geen informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. Appellant stelt dat zijn functionele mogelijkheden niet correct zijn vastgesteld. Hij heeft informatie van de huisarts met betrekking tot de gebruikte medicatie aan de Raad gezonden en stelt dat bij het bepalen van de functies ten onrechte met de bijwerkingen van de medicijnen die hij gebruikt geen rekening is gehouden. Voorts heeft appellant erop gewezen dat bij de functiewijziging in de bezwaarprocedure de functies die zijn vervallen, omdat ze niet passend werden geacht, in grote lijnen overeenkomen met de nieuwe functies. Het is appellant niet duidelijk waarom de thans aan de schatting gelegde functies wel passend zijn, terwijl het nog steeds om productiewerk gaat.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft appellant medisch onderzocht tijdens het spreekuur op 18 september 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gesproken tijdens de hoorzitting op 25 februari 2014 en is in zijn rapport ingegaan op de in bezwaar aangevoerde argumenten, de ingediende informatie van de behandelend psychiater en het medicatieoverzicht van de apotheek. Bij de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aandacht besteed aan het medicijngebruik van appellant. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd welke beperkingen appellant ondervindt bij het verrichten van arbeid en waarom de bezwaren van appellant tegen de vaststelling van zijn functionele mogelijkheden niet slagen.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen. Uit het in hoger beroep overgelegde huisartsjournaal kan niet worden afgeleid dat met appellants medicijngebruik onvoldoende rekening is gehouden, omdat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden opgemaakt dat deze arts op de hoogte was van de gebruikte medicatie. Het standpunt van het Uwv, dat met de beperking die is aangenomen voor het vasthouden van aandacht en het feit dat appellant is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico voldoende rekening is gehouden met het medicijngebruik van appellant, kan worden onderschreven.
4.3.
Nu de beperkingen van appellant op de datum in geding niet zijn onderschat, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te oordelen dat de voor appellant in bezwaar geselecteerde functies zijn functionele mogelijkheden overschrijden. Weliswaar zijn de functies die tijdens de bezwaarprocedure aan de schatting ten grondslag zijn gelegd evenals de primair geselecteerde functies, productiefuncties, maar voor de vraag of een functie passend is, is de belasting in de betreffende functie, niet het soort functie, bepalend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 8 april 2014 te kennen gegeven dat de functie Perronmedewerker (SBC-code 111220) niet passend is in verband met de benodigde alertheid, de functie Boterdraaier (SBC-code 271091) afvalt omdat appellant niet voldoet aan de opleidingseis en dat bij de functie Wikkelaar (SBC-code 267050) twee functies binnen deze SBC-code niet passend zijn omdat de trillingbelasting, respectievelijk het handelingstempo, te hoog is. Het is dus niet zo dat appellant niet in staat wordt geacht om productiefuncties te verrichten. In hetzelfde rapport heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toegelicht dat de functies die vervolgens aan de schatting ten grondslag zijn gelegd geschikt zijn voor appellant. In het rapport van 16 juli 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toegelicht dat de functies ook wat betreft de vereiste beheersing van de Nederlandse taal voor appellant passend zijn.
4.4.
Hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient bevestigd te worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober.
(getekend) L. Koper
(getekend) L.H.J. van Haarlem

SS