Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:4016

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2016
Publicatiedatum
21 oktober 2016
Zaaknummer
16/106 WIA-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond verklaard tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in WIA-zaken

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake een WIA-uitkering. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de vereiste schriftelijke machtiging niet tijdig was ingediend.

Namens appellante is verzet ingesteld tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Na beoordeling van het verzet oordeelt de Raad dat appellante niet in verzuim is geweest met het indienen van de machtiging.

Hierdoor wordt het verzet gegrond verklaard, vervalt de eerdere niet-ontvankelijkverklaring en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 oktober 2016.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt opgeheven.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 oktober 2016
16/106 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 november 2015, 14/5588 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 1 juni 2016 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellante heeft ing. M.A. Rienks verzet gedaan.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 1 juni 2016 berust op de overwegingen dat de door de Raad op grond van artikel 8:24 van Pro de Awb verlangde schriftelijke machtiging niet (tijdig) is ingediend en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet is gebleken dat appellante niet in verzuim is geweest.
Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak van de Raad van 1 juni 2016 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van N. Talhaoui als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) N. Talhaoui
JvC