ECLI:NL:CRVB:2016:3903
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand sinds februari 2014 en stond ingeschreven op het uitkeringsadres. Naar aanleiding van een melding over niet vergunde prostitutie op dat adres heeft de gemeente een onderzoek ingesteld, inclusief dossieronderzoek, huisbezoek en het horen van appellant. Op basis van het rapport van 8 oktober 2014 trok het college de bijstand per 31 juli 2014 in, omdat appellant niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres zou hebben.
Appellant voerde aan dat hij wel op het uitkeringsadres woonde, maar dit werd tegengesproken door de aangetroffen situatie tijdens het huisbezoek, waaronder dameskleding en afwijkende inhoud van koelkast en keukenkastjes. Zijn verklaring dat hij zwakbegaafd is en daardoor incoherent verklaart, werd niet voldoende geacht om de tegenstrijdigheden te verklaren. Ook bankafschriften en verklaringen van familie en vrienden ondersteunden zijn stelling niet overtuigend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. Een nieuw aangevoerde grond tegen de afwijzing van bijzondere bijstand werd als te laat ingediend verworpen. De Raad concludeerde dat het college voldoende feiten had verzameld om het besluit tot intrekking te rechtvaardigen en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.