Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:3818

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 oktober 2016
Publicatiedatum
13 oktober 2016
Zaaknummer
15/2805 NIOAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag IOAW-uitkering wegens onvolledige en onjuiste woonadresinformatie

Appellant had een aanvraag ingediend voor een IOAW-uitkering en gaf daarbij een woonadres op waar hij sinds 2010 een kamer huurde. Tijdens een huisbezoek bleek echter dat appellant feitelijk niet op dat adres verbleef en hij kon geen concrete gegevens over zijn verblijf op andere adressen verstrekken.

Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenplicht en het recht op uitkering daardoor niet kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.

De Raad benadrukte dat een aanvrager volledige en juiste informatie over zijn woon- en leefsituatie moet geven en dat het college deze gegevens moet controleren. Het ontbreken van concrete gegevens over het verblijf elders en het niet kunnen aantonen van een tijdelijk karakter van dat verblijf leidde tot de afwijzing. Ook het argument dat een latere toekenning van de uitkering op een andere periode duidde op het niet verplaatsen van het woonadres werd verworpen.

Uitkomst: De aanvraag voor een IOAW-uitkering wordt afgewezen wegens onvolledige en onjuiste informatie over het feitelijke woonadres.

Uitspraak

15/2805 NIOAW
Datum uitspraak: 11 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
10 maart 2015, 14/9744 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. de Bluts, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Bluts. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. P.C. van Aller.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft tot en met 26 mei 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Op 10 juni 2014 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend op grond van de Wet werk en bijstand. Hij heeft daarbij het adres [adres] als woonadres opgegeven (opgegeven adres). Hij huurt sinds 1 april 2010 een kamer op dit adres.
1.2.
Naar aanleiding van de aanvraag hebben medewerkers van de afdeling Werk, Zorg en Inkomen van de gemeente Zoetermeer op 27 juni 2014 een huisbezoek afgelegd ter controle van de woon- en leefsituatie van appellant. Appellant heeft tijdens het huisbezoek een verklaring afgelegd. Appellant heeft onder meer verklaard dat hij drie of vier dagen bij zijn moeder in [gemeente 1] verbleef en drie dagen bij een vriendin in [gemeente 1] . Vanwege gezinsuitbreiding van medebewoners kon hij niet op het opgegeven adres verblijven. Hij heeft voorts verklaard dat hij vaak bij een ex-vriendin in [gemeente 2] was. Hij kon niet aangeven hoeveel dagen hij daar verbleef. Tijdens het huisbezoek kon appellant geen persoonlijke verzorgingsproducten laten zien. In de kamer die appellant had aangewezen als zijn kamer, werd een hond in een kooi aangetroffen. Appellant wist niet dat de hond daar verbleef en verklaarde dat het een tijd geleden was dat hij in de kamer was geweest. In de kledingkast lagen geen broeken en ondergoed. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 30 juni 2014.
1.3.
Bij besluit van 1 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 oktober 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant aangemerkt als een aanvraag om een uitkering op de grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en deze aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant onvoldoende gegevens over zijn woonsituatie heeft verstrekt, zodat kan niet worden vastgesteld of hij recht heeft op een uitkering. Uit het onderzoek naar de woonsituatie is gebleken dat appellant niet op het door hem opgegeven adres verbleef. De stelling dat hij voor zeer korte tijd en noodgedwongen op andere adressen dan het opgegeven adres moest verblijven, heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 10 juni 2014 tot en met 1 juli 2014.
4.2.
Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om een
IAOW-uitkering. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn woon- en leefsituatie en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.3.
De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van een IOAW-uitkering.
4.4.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant onvolledige gegevens heeft verstrekt over zijn woonsituatie. Appellant heeft op het aanvraagformulier vermeld op het opgegeven adres te wonen. Tijdens het huisbezoek is echter gebleken dat appellant daar feitelijk niet verbleef. Appellant heeft dit niet betwist en heeft aangevoerd dat hij op verschillende adressen verbleef. Appellant heeft echter geen concrete gegevens verstrekt over de verschillende adressen en de duur van het verblijf aldaar.
4.5.
Gelet op wat in 4.4 is overwogen, heeft appellant geen juiste en ook onvolledige informatie over zijn feitelijke woonadres verschaft en heeft het college niet kunnen vaststellen waar hij wel feitelijk heeft verbleven. Appellant is dan ook tekortgeschoten in de op hem rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, door gezinsuitbreiding van de medebewoners en de overlast van de hond genoodzaakt was voor een korte periode elders te verblijven, ontslaat hem niet van de verplichting ook in dat geval duidelijkheid te verschaffen over waar hij feitelijk verbleef. Dit heeft hij niet gedaan. Door geen openheid van zaken te geven, heeft het college niet kunnen vaststellen of het opgegeven adres ook, zoals appellant heeft aangevoerd, vanaf 2010 zijn feitelijke woonadres was en of het verblijf elders een tijdelijk karakter had.
4.6.
De beroepsgrond dat uit het toekennen van de uitkering met ingang van 4 september 2014 mag worden afgeleid dat appellant zijn woonadres niet heeft verplaatst, slaagt evenmin. Deze toekenning ziet immers op een andere periode en is gebaseerd op de bevindingen bij een huisbezoek op 10 oktober 2014, waarbij sprake was van een andere feitelijke woonsituatie.
4.7.
Uit 4.2 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en M. Hillen en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2016.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) I.G.A.H. Toma

HD