ECLI:NL:CRVB:2016:3769
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse financiële zorg
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf een adres op waar hij samen met E een woning huurde. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven wees de aanvraag af omdat zij oordeelden dat appellant en E een gezamenlijke huishouding voerden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Appellant stelde dat er geen sprake was van substantiële wederzijdse zorg, slechts incidenteel gebruik van diensten.
De Raad oordeelde dat appellant en E vanaf 18 september tot 1 december 2014 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat er sprake was van wederzijdse zorg. Dit bleek uit financiële verstrengeling zoals gezamenlijke huurbetaling, leningen en kostenverdeling van gas en elektra. Ook waren er aanwijzingen van zorg voor elkaar in de huishouding.
De Raad bevestigde dat appellant daardoor niet als zelfstandig bijstandsgerechtigde kon worden aangemerkt en wees het beroep af. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant wordt afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse financiële zorg.