ECLI:NL:CRVB:2016:3729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 7 april 2014. Het college weigerde deze aanvraag omdat uit onderzoek bleek dat zij hoofdzakelijk in andere gemeenten verbleef. De aanvraag werd doorgestuurd naar die gemeenten, maar appellante ontving geen bijstand over de periode vanaf 7 april 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het college ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij zich tot de andere gemeenten had gewend, maar dat de aanvraag daar niet was ontvangen. De Raad oordeelde dat over de periode waarin al besluitvorming had plaatsgevonden (7 tot 22 april 2014) geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd om het eerdere besluit te herzien.
Voor de periode voorafgaand aan de aanvraag (23 april tot 5 mei 2014) is geen bijzondere omstandigheid gesteld die afwijkt van het uitgangspunt dat geen bijstand wordt verleend. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht wordt afgewezen.