ECLI:NL:CRVB:2016:3317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.H.M. van de Ven
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet gemelde stortingen en vermogen boven grens
Appellante ontving sinds 1998 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van informatie over een spaarrekening met een saldo boven de vermogensgrens startte het team Bijzonder Onderzoek een onderzoek. Uit bankafschriften bleek dat appellante tussen mei 2012 en juni 2013 meerdere stortingen deed en in oktober 2013 een groot bedrag contant opnam, zonder dit te melden aan het dagelijks bestuur.
Appellante verklaarde dat het geld van haar broer afkomstig was en dat zij het voor hem beheerde. Zij kon echter niet aantonen dat zij niet over het geld beschikte of dat het niet haar vermogen was. Het dagelijks bestuur trok daarom de bijstand met ingang van 1 mei 2012 in wegens schending van de inlichtingenverplichting en vermogen boven de grens.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet over het geld kon beschikken en dat zij de inlichtingenverplichting had geschonden. Ook haar verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting en het bezit van vermogen boven de toegestane grens.