ECLI:NL:CRVB:2016:3316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.H.M. van de Ven
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet-woonachtig zijn op uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf maart 2012, geregistreerd op een uitkeringsadres in een Nederlandse plaats. In oktober 2013 constateerde een gerechtsdeurwaarder dat zij niet meer op dat adres woonde; een nieuwe huurder verklaarde dat appellante mogelijk in België verbleef. Na een onderzoek met een gesprek en huisbezoek in februari 2014 besloot het college de bijstand met ingang van 1 februari 2014 in te trekken.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet op het uitkeringsadres woonde en dat de situatie sinds een eerder huisbezoek in 2012 niet was veranderd. De Raad beoordeelde de periode van 26 februari tot 12 maart 2014 en stelde vast dat het college de bewijslast droeg om aannemelijk te maken dat de voorwaarden voor intrekking waren vervuld.
Appellante had op 26 februari 2014 verklaard het grootste deel van de week bij haar moeder in een andere plaats te verblijven vanwege onveiligheid op het uitkeringsadres. Deze verklaring werd niet betwist of onder druk afgelegd. Het college erkende dat de huisbezoeken weinig verschil toonden, maar dat de eigen verklaring van appellante doorslaggevend was. De Raad concludeerde dat appellante niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en daarmee de inlichtingenplicht had geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd omdat appellante niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.