ECLI:NL:CRVB:2016:3250
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen onbevoegdverklaring hoger beroep in Wajong-zaak ongegrond verklaard
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter waarin het verzoek om voorlopige voorziening was afgewezen. De Raad verklaarde zich echter onbevoegd kennis te nemen van dit hoger beroep, omdat op grond van artikel 8:104, tweede lid, Awb geen hoger beroep mogelijk is tegen de aangevallen uitspraak.
Appellant heeft vervolgens verzet ingesteld tegen deze onbevoegdverklaring. Tijdens de zitting op 21 juli 2016 was appellant vertegenwoordigd, terwijl het UWV niet is verschenen. Het verzet richtte zich onder meer op het standpunt dat de voorzieningenrechter ten onrechte zonder alle stukken een oordeel had geveld en dat niet was ingegaan op het beroep op de hardheidsclausule van de oude Wajong-wet.
De Raad oordeelde dat geen sprake was van een evidente schending van de procesorde of fundamentele rechtsbeginselen die het appelverbod konden doorbreken. Ook het niet ingaan op de hardheidsclausule was onvoldoende om het verzet gegrond te verklaren. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en het griffierecht werd niet aan appellant opgelegd.
Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.