ECLI:NL:CRVB:2016:2986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen voorlopige voorziening
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, waarin een verzoek om een voorlopige voorziening was afgewezen. De Centrale Raad van Beroep onderzoekt of het hoger beroep ontvankelijk is.
Volgens artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is hoger beroep tegen uitspraken van de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:84 Awb Pro uitgesloten. Alleen bij evidente schendingen van fundamentele rechtsbeginselen kan hiervan worden afgeweken.
De Raad oordeelt dat appellant geen gronden heeft aangevoerd die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen. Het oordeel van de voorzieningenrechter wordt onderschreven. Daarom verklaart de Raad zich kennelijk onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het beroep af zonder verdere inhoudelijke behandeling.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in aanwezigheid van griffier R.B.E. van Nimwegen, en is openbaar uitgesproken op 9 augustus 2016.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep wegens het appelverbod.