ECLI:NL:CRVB:2016:2587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandeling laten bijstandsaanvraag wegens ontbreken bankafschriften
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand en diende hiertoe een aanvraag in. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verzocht haar meerdere malen om aanvullende stukken, waaronder bankafschriften van haar spaarrekening over de laatste drie maanden. Appellante heeft deze stukken niet binnen de gestelde termijn overgelegd.
Het college besloot daarom de aanvraag buiten behandeling te laten op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde zij aan dat de bankafschriften niet noodzakelijk waren en dat zij deze wel had overgelegd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bankafschriften wel degelijk noodzakelijk zijn voor een goede beoordeling van de aanvraag, omdat de financiële situatie van de aanvrager essentieel is. Appellante kon niet aannemelijk maken dat zij de stukken tijdig had ingediend en gaf zelfs aan het bestaan van de spaarrekening vergeten te zijn. De Raad bevestigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot buiten behandeling laten van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd.