Uitspraak
.
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen sinds 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant werkzaamheden verrichtte, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld, waarbij onder meer de woning werd doorzocht en verklaringen werden afgelegd. Appellant gaf toe werkzaamheden te verrichten voor een bedrijf in Irak, maar had dit niet gemeld aan het college.
Het college heeft daarom de bijstand ingetrokken en de teveel ontvangen bijstand teruggevorderd over de periode van november 2013 tot september 2014. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarbij werd overwogen dat appellant de mogelijkheid had om een tolk te gebruiken tijdens het verhoor, maar hiervan geen gebruik maakte. Ook was er geen sprake van ontoelaatbare druk.
Appellanten voerden in hoger beroep aan dat zij onjuist waren behandeld, onder meer door het ontbreken van tolkbijstand en vermeende druk, en ontkenden het ontvangen van inkomen. De Raad overwoog dat deze gronden reeds gemotiveerd door de rechtbank waren beoordeeld en dat appellant geen nieuwe feiten of argumenten had aangedragen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.