Uitspraak
19 mei 2015, 15/713 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig medewerker acceptatie, meldde zich ziek met psychische klachten terwijl hij een WW-uitkering ontving. Na onderzoek door een bedrijfsarts en een psychiatrische expertise werd vastgesteld dat appellant per 10 november 2014 geschikt was voor zijn functie. Het UWV besloot daarop het ziekengeld te beëindigen, wat appellant betwistte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn draagkracht nog niet op peil was en werkhervatting contraproductief zou zijn, verwijzend naar nieuwe psychologische rapporten. De Raad beoordeelde het medisch onderzoek als zorgvuldig en vond onvoldoende aanleiding om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 10 november 2014. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 10 november 2014 wordt bevestigd.