ECLI:NL:CRVB:2016:237
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid per 22 januari 2014 bevestigd
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en viel op 1 oktober 2012 uit wegens knie- en psychische klachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 27 maart 2013 omdat appellant geschikt werd geacht zijn eigen werk weer te verrichten. Na een nieuwe ziekmelding op 16 april 2013 werd de ZW-uitkering hervat, maar opnieuw beëindigd per 22 januari 2014. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat door het UWV werd afgewezen op basis van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanleiding was om het oordeel van de verzekeringsarts onjuist te achten. In hoger beroep stelde appellant dat zijn medische beperkingen onvoldoende waren meegewogen en overhandigde aanvullende medische informatie van een reumatoloog. De Raad concludeert dat deze nieuwe informatie niet ziet op de datum in geschil en dat het UWV voldoende rekening heeft gehouden met het sluimerend beloop van de ziekte.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep achtte appellant met terugwerkende kracht vanaf 24 april 2014 arbeidsongeschikt, maar niet eerder. De Raad vindt het oordeel van het UWV dat appellant per 22 januari 2014 geschikt was om zijn werk te verrichten, overtuigend gemotiveerd en bevestigt de beëindiging van het recht op ziekengeld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellant is terecht per 22 januari 2014 beëindigd en het hoger beroep wordt afgewezen.