ECLI:NL:CRVB:2016:2358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag bedrijfskrediet wegens onvoldoende levensvatbaarheid onderneming
Appellant exploiteert sinds 2009 een handelsonderneming gericht op export van voedingsmiddelen. Na een eerdere kredietverstrekking in 2011 moest appellant zijn onderneming staken vanwege verslechterde marktomstandigheden. In november 2013 vroeg appellant een nieuw krediet aan voor € 30.000,- met het oog op export van uien naar een instabiele regio.
Het dagelijks bestuur vroeg deskundigenadvies aan Friedeberg Consultancy B.V. (FCBV), dat concludeerde dat het bedrijf onvoldoende omzet zou genereren om levensvatbaar te zijn, mede door de onzekere marktsituatie en beperkte vraag. Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat de prognoses onvoldoende waren onderbouwd en de intentieverklaringen niet concreet genoeg waren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat de samenstelling van de bezwaarcommissie niet aan de Awb voldeed en dat de omzetprognose onjuist was. De Raad verwierp deze gronden, oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht uitging van het deskundigenadvies en dat ontwikkelingen na het besluitdatum niet relevant zijn.
De Raad bevestigt het oordeel dat het bedrijf niet levensvatbaar was op het moment van het besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Bbz-aanvraag wegens onvoldoende levensvatbaarheid van het bedrijf.