ECLI:NL:CRVB:2016:234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-uitkering na nabetaling ZW-uitkering
Appellant ontving een WW-uitkering en viel later uit wegens ziekte, waarna hij een ZW-uitkering kreeg toegekend. Na herstel werd de WW-uitkering herleefd, maar bij nieuwe ziekte werd de ZW-uitkering voortgezet en nabetalingen gedaan. Het UWV herzag vervolgens de WW-uitkering en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV terecht de WW-uitkering herzag en terugvordering mocht doen, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet teveel had ontvangen of dat terugvordering onaanvaardbare financiële gevolgen zou hebben.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet teveel had ontvangen en dat zijn slechte financiële situatie een dringende reden vormde om niet terug te vorderen. De Raad onderschreef echter de motivering van de rechtbank en oordeelde dat het UWV verplicht was terug te vorderen en dat appellant onvoldoende had aangetoond dat terugvordering onaanvaardbare gevolgen zou hebben.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WW-uitkering en wijst het hoger beroep af.