ECLI:NL:CRVB:2016:2264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks bezwaar appellanten
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB en het college herzag de bijstand over de periode oktober 2012 tot en met december 2013 vanwege niet verrekende pensioeninkomsten. Het college vorderde terugbetaling van €4.357,46, later beperkt tot €1.594,57 vanwege de zesmaandenjurisprudentie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat het terugvorderingsbedrag nihil moest zijn omdat zij geen verwijt trof en zij onder het bestaansminimum zouden komen. De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot terugvordering, dat het beleid van het college dit voorschrijft en dat de beperking tot zes maanden voldoende rekening houdt met de situatie van appellanten.
De Raad verwierp het betoog dat appellanten het niet verrekende pensioen niet hadden kunnen opmerken, omdat zij maandelijks een hoger bedrag op hun rekening ontvingen. Ook het argument dat terugvordering tot onder het bestaansminimum leidt, faalde vanwege de beslagvrije voet en mogelijke aflossingsregeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en wijst het hoger beroep af.