ECLI:NL:CRVB:2016:2245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WGA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant had aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend gekregen, maar het UWV stelde na een toegenomen arbeidsongeschiktheid vast dat hij vanaf 27 december 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarmee geen recht meer had op de uitkering. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat hij meer beperkt was dan aangenomen en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd. De Raad concludeerde echter dat het medische onderzoek en de rapportages consistent, deugdelijk en overtuigend waren en dat er geen aanwijzingen waren die tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts konden leiden. Ook de arbeidsdeskundige had de functies waarop de beoordeling was gebaseerd adequaat gemotiveerd.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellant geen recht meer had op een WGA-uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 juni 2016.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op een WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.