ECLI:NL:CRVB:2016:2147
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard
Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht binnen de gestelde termijn. Appellant stelde in het verzet dat hij vanwege zijn financiële situatie niet in staat was het griffierecht te betalen en verzocht om een nieuwe termijn, omdat hij geld kon lenen van zijn zus.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet in verzuim was, mede omdat hij de gevraagde financiële gegevens over februari en maart 2014 niet had overgelegd en bovendien had verklaard dat zijn inkomen in die maanden hoger was dan de norm voor vrijstelling van griffierecht. Het wettelijke stelsel biedt geen ruimte voor het gunnen van een nieuwe termijn voor betaling.
Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 juni 2016.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.