ECLI:NL:CRVB:2016:199

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2016
Publicatiedatum
19 januari 2016
Zaaknummer
14/4502 wwb
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WWB
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht zonder dringende redenen

Appellante ontving bijstand van januari tot augustus 2013. Uit onderzoek bleek dat zij vanaf 24 juli 2013 niet meer in de gemeente Leiden woonde, maar dit niet had gemeld, waardoor zij de inlichtingenplicht schond. Het college trok de bijstand over de periode 24 juli tot 31 augustus 2013 in en vorderde de kosten terug.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante erkende de schending van de inlichtingenplicht, maar stelde dat zij vanwege bijzondere omstandigheden, namelijk huiselijk geweld en tijdelijke dakloosheid, recht had op bijstand en dat intrekking en terugvordering onredelijk waren.

De Raad oordeelde dat het college op grond van de WWB verplicht was de bijstand in te trekken en terug te vorderen bij schending van de inlichtingenplicht. Er was geen ruimte om op grond van bijzondere omstandigheden hiervan af te wijken. Dringende redenen voor terugvorderingontheffing, zoals onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen, waren niet aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht zonder aannemelijke dringende redenen.

Uitspraak

14/4502 WWB
Datum uitspraak: 19 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
18 juli 2014, 14/2855 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats 1] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. Karkache, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2015. Namens appellante is verschenen mr. Karkache. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Gieske.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving in de periode van 15 januari 2013 tot en met 31 augustus 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Uit onderzoek door de gemeente Leiden is gebleken dat appellante tot 24 juli 2013 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans Basisregistratie personen (BRP), stond ingeschreven op het [adres 1] te [woonplaats 2] en vanaf 24 juli 2013 op het [adres 2] te [woonplaats 1].
1.2.
Bij besluit van 25 september 2013 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 24 juli 2013 tot en met 31 juli 2013 (lees: 31 augustus 2013) herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 999,05 van appellante teruggevorderd.
1.3.
Bij besluit van 18 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 september 2013 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij vanaf 24 juli 2013 niet meer in de gemeente Leiden woont.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist niet langer, zoals ter zitting van de Raad is bevestigd, dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zij is van mening dat zij in de periode in geding niettemin recht op bijstand heeft omdat sprake is van dringende redenen om van intrekking en terugvordering af te zien.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft weliswaar de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van haar verhuizing maar Schiedam, naar zij is van mening dat het college op grond van bijzondere omstandigheden niet tot intrekking en terugvordering van de bijstand diende over te gaan. Volgens appellante is sprake van bijzondere omstandigheden, omdat zij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld en tijdelijk geen woning heeft gehad.
4.2.
Vanaf 1 juli 2013 is het bijstandverlenend orgaan gehouden een besluit tot toekenning van bijstand te herzien, dan wel in te trekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Gelet op de schending van de inlichtingenverplichting door appellante was het college aldus gehouden de bijstand van appellante in te trekken en bestond voor het college geen ruimte, zoals zij voorstaat, om gelet op bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.
4.3.
Gelet op wat in 4.2 is overwogen was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB verplicht de kosten van bijstand over de periode van 24 juli 2013 tot en met
31 augustus 2013 van appellante terug te vorderen.
4.4.
Voor zover appellante een beroep doet op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, kunnen die slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Appellante heeft slechts gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van dringende redenen als hiervoor bedoeld.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2016.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) R.G. van den Berg

HD