ECLI:NL:CRVB:2016:1824
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek erkenning burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wubo
Appellant, geboren in 1937 in Nederlands-Indië, heeft meerdere malen een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Alle aanvragen zijn afgewezen omdat geen bewijs is geleverd dat appellant oorlogsgebeurtenissen in de zin van de Wubo heeft meegemaakt.
De Raad heeft eerder al geoordeeld dat het verblijf van appellant in het Ursulinenklooster tijdens de Bersiap-periode niet onder de Wubo valt, mede omdat het klooster geen erkend interneringskamp was. Ook de vlucht met de grootmoeder en de mishandeling daarvan zijn niet bevestigd door bewijs. De erkenning van appellant als oorlogsgetroffene op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling (AOR) leidt niet tot een ander oordeel, omdat de AOR een ruimer beoordelingskader kent.
In het bestreden besluit is het verzoek tot herziening afgewezen omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven de eerdere besluiten te herzien. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat de oorlogsomstandigheden van appellant niet gelijk zijn aan die van andere erkende slachtoffers. De Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek tot herziening af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot herziening op grond van de Wubo wordt bevestigd.