Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1684

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2016
Publicatiedatum
10 mei 2016
Zaaknummer
15-1392 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant is sinds mei 2012 wegens hoofdpijn en psychische klachten arbeidsongeschikt als postbezorger. Na een aanvraag in januari 2014 beoordeelde het UWV zijn situatie op grond van de Wet WIA. De verzekeringsarts stelde een depressieve episode vast met beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren en maakte een Functionele Mogelijkhedenlijst. Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk, maar wel voor andere functies, waardoor geen verlies aan verdiencapaciteit werd vastgesteld.

Het UWV besloot in maart 2014 dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd in augustus 2014 bevestigd na bezwaar. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen werden onderschat en stuurde een brief van zijn psychiater mee. Het UWV reageerde dat deze informatie het eerdere oordeel niet wijzigde. De Raad overwoog dat het onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig was en dat de klachten van appellant reeds bekend waren en meegenomen in de beoordeling. Ook nieuw ingediende informatie van de bedrijfsarts gaf geen aanleiding tot twijfel. De Raad onderschreef het oordeel dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellant en bevestigde de eerdere uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde de afwijzing van de WIA-uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

15/1392 WIA
Datum uitspraak: 4 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
23 januari 2015, 14/2845 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N. Birrou, advocaat, hoger beroep ingesteld en informatie van de behandelend psychiater ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en, met een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, op de brief van de psychiater gereageerd.
Bij brief van 24 maart 2016 heeft mr. Birrou een advies van de bedrijfsarts van
21 januari 2016 en een stuk van Westrom Trajecten aan de Raad gestuurd. Voorts heeft
mr. Birrou te kennen gegeven dat noch appellant, noch hijzelf bij de zitting aanwezig zal zijn.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2016. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is op 7 mei 2012 ten gevolge van hoofdpijn en psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als postbezorger. Naar aanleiding van een in januari 2014 ingediende aanvraag heeft vervolgens een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat er sprake is van een depressieve episode die gepaard gaat met hoofdpijn. Rekening houdend met de uit deze klachten voortvloeiende beperkingen wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren, heeft de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Daarna is een arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk, maar nog wel geschikt is voor een aantal andere functies, waarna is vastgesteld dat er geen verlies aan verdiencapaciteit is.
1.2.
Bij besluit van 20 maart 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat hij met ingang van 5 mei 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 8 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv, op basis van rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, het bezwaar tegen het besluit van 20 maart 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de verzekeringsartsen, die op de hoogte waren van appellants klachten, niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant, onder inzending van een brief van de behandelend psychiater G.L.M. Smals van 3 juni 2015, herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat en daarom de aan hem geduide functies niet passend zijn.
3.2.
Het Uwv heeft in hoger beroep een reactie ingezonden van de verzekeringsarts bezwaar en beroep waarin is vermeld dat de ingebrachte informatie van de psychiater geen aanleiding geeft het medisch oordeel te wijzigen. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. De beschikbare gegevens bevatten voldoende informatie over de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een zorgvuldig oordeel te komen. De in hoger beroep ingediende informatie van psychiater Smals geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling door het Uwv, omdat hierin alleen een beschrijving van appellants klachten is gegeven. Deze klachten waren bekend bij de verzekeringsartsen en zijn in de beoordeling betrokken. De reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het schrijven van de psychiater geen aanleiding geeft om de visie over de belastbaarheid bij te stellen, wordt dan ook onderschreven. De op 24 maart 2016 ingediende informatie van de bedrijfsarts geeft evenmin aanleiding tot twijfel, nu dit stuk geen gegevens bevat met betrekking tot de medische situatie van appellant op de in geding zijnde datum van 5 mei 2014.
4.2.
Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, wordt het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant onderschreven. In hoger beroep zijn geen gronden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat appellant niet tot het vervullen van die functies in staat kan worden geacht.
4.3.
Gelet op 4.1 en 4.2 slaagt het hoger beroep niet en zal de aangevallen uitspraak bevestigd worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2016.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
(getekend) L.H.J. van Haarlem

MO