ECLI:NL:CRVB:2016:1684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant is sinds mei 2012 wegens hoofdpijn en psychische klachten arbeidsongeschikt als postbezorger. Na een aanvraag in januari 2014 beoordeelde het UWV zijn situatie op grond van de Wet WIA. De verzekeringsarts stelde een depressieve episode vast met beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren en maakte een Functionele Mogelijkhedenlijst. Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk, maar wel voor andere functies, waardoor geen verlies aan verdiencapaciteit werd vastgesteld.
Het UWV besloot in maart 2014 dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd in augustus 2014 bevestigd na bezwaar. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen werden onderschat en stuurde een brief van zijn psychiater mee. Het UWV reageerde dat deze informatie het eerdere oordeel niet wijzigde. De Raad overwoog dat het onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig was en dat de klachten van appellant reeds bekend waren en meegenomen in de beoordeling. Ook nieuw ingediende informatie van de bedrijfsarts gaf geen aanleiding tot twijfel. De Raad onderschreef het oordeel dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellant en bevestigde de eerdere uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde de afwijzing van de WIA-uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.