ECLI:NL:CRVB:2016:151
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- G. van Zeben-de Vries
- L. Koper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loongerelateerde WGA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 46,76%
Appellant, werkzaam als financieel manager, meldde zich op 15 maart 2011 ziek vanwege psychische klachten en ontving toen een WW-uitkering. Het UWV stelde bij besluit van 9 april 2013 vast dat appellant recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van 46,76% arbeidsongeschiktheid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 5 december 2013 ongegrond werd verklaard door het UWV.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant tegen het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was verricht, dat de klachten en onderzoeksbevindingen deugdelijk waren betrokken, en dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Ook het aanvullende rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep werd als overtuigend beoordeeld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, onder meer dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn klachten en dat de eerste ziektedag onjuist was vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep volgde deze standpunten niet. De Raad vond het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig en zag geen aanleiding om de beperkingen onjuist te achten. Het rapport van Offermans gaf geen concrete aanwijzingen voor onjuistheden in de Functionele Mogelijkhedenlijst. Ook het betoog over de eerste ziektedag werd verworpen op basis van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Raad bevestigde dat het besluit ook op een voldoende arbeidskundige grondslag berustte. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 januari 2016.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de loongerelateerde WGA-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.