ECLI:NL:CRVB:2016:1466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder sinds maart 2013. Naar aanleiding van een vermoeden van samenwoning met F, met wie zij drie kinderen heeft, werd zij geconfronteerd met een gesprek en een mutatieformulier waarin zij verklaarde dat F sinds 1 augustus 2013 bij haar woont. Op basis hiervan trok het college de bijstand per die datum in.
Appellante voerde aan dat zij onder druk het formulier had getekend en dat haar psychische gesteldheid haar belemmerde haar belangen goed te behartigen. De Raad oordeelde echter dat geen sprake was van wilsgebrek of ontoelaatbare druk en dat appellante de gevolgen van haar verklaring begreep. Objectieve bewijsstukken ter onderbouwing van haar psychische gesteldheid ontbraken.
De Raad concludeerde dat het college terecht uitging van de verklaring op het mutatieformulier en dat appellante als gehuwd moest worden aangemerkt, waardoor zij geen recht meer had op bijstand als alleenstaande ouder. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstand is terecht ingetrokken omdat appellante per 1 augustus 2013 een gezamenlijke huishouding voerde met F.