Uitspraak
30 december 2014, 14/7237 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2008 bijstand en verzocht in december 2013 toestemming om in 2014 langer dan vier weken in het buitenland te verblijven op medische gronden. Het college reageerde pas in februari 2014 en wees het verzoek af op grond van de WWB en gemeentelijk beleid. Appellant verbleef van 18 december 2013 tot 8 februari 2014 in Tunesië, langer dan toegestaan.
Het college besloot in februari 2014 de bijstand over de periode 15 januari tot 8 februari 2014 terug te vorderen wegens overschrijding van de maximale verblijfsduur in het buitenland. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat medische redenen hem verhinderden tijdig terug te keren en dat het college onzorgvuldig handelde door laat te reageren.
De Raad oordeelt dat appellant de maximale verblijfsduur heeft overschreden en dat de medische gegevens geen absoluut beletsel tot tijdige terugkeer aantonen. Het college handelde conform beleidsregels en mocht terugvorderen. De late reactie van het college en het niet tijdig melden door appellant rechtvaardigen geen uitzondering. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens overschrijding van de toegestane verblijfsduur in het buitenland.