ECLI:NL:CRVB:2016:131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid als operator
Appellant was werkzaam als operator in een kunststoffenfabriek en viel uit wegens maag- en darmklachten. Na beëindiging van het dienstverband kende het UWV hem een Ziektewetuitkering toe. Op basis van medisch onderzoek beëindigde het UWV de uitkering per 7 mei 2013 omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij de medische beoordeling van het UWV zorgvuldig achtte. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten, medicatiegebruik en ploegendienst niet voldoende waren meegewogen, maar bracht geen nieuwe medische stukken in.
De Raad onderschreef de eerdere beoordeling en oordeelde dat appellant terecht geschikt werd geacht voor zijn arbeid, mede gelet op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad zag geen aanleiding om het standpunt van appellant te volgen en bevestigde de aangevallen uitspraak, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht geschikt is geacht voor zijn arbeid en de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.