ECLI:NL:CRVB:2016:1171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voorwaardelijke disciplinaire strafontslag wegens plichtsverzuim ambtenaar
Appellant was sinds 1997 werkzaam bij de gemeente en werd in 2013 geconfronteerd met een voorwaardelijke disciplinaire strafontslag wegens plichtsverzuim. Dit betrof onder meer het ongeoorloofd gebruik van faciliteiten voor eigen bedrijfsopzet, het overtreden van gedragsregels door communicatie met pers en wethouders, het verstoren van openbare vergaderingen en het nalaten van goed huisvaderschap in een gemeentelijk pand.
De rechtbank had het beroep van appellant tegen het disciplinaire besluit ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep enkele gedragingen verworpen wegens onvoldoende bewijs, maar de overige ernstige gedragingen gegrond verklaard. De Raad oordeelde dat appellant zijn privébelangen onvoldoende scheidde van zijn ambtelijke functie en dat zijn gedrag niet paste bij goed ambtenaarschap.
De Raad vond de opgelegde voorwaardelijke strafontslag met een proefperiode van twee jaar niet onevenredig, mede gelet op eerdere waarschuwingen en de ernst van de gedragingen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het voorwaardelijke disciplinaire ontslag wordt bevestigd.