Appellant had een Wajong-uitkering aangevraagd, die door het UWV werd afgewezen omdat hij naar oordeel van het UWV meer dan 75% van het wettelijk minimumloon kan verdienen. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege onvoldoende onderbouwing van de arbeidskundige grondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De Centrale Raad van Beroep deed een tussenuitspraak waarin zij het UWV opdroeg de gebreken te herstellen.
Het UWV heeft vervolgens nadere rapporten ingediend, waaronder een verzekeringsgeneeskundig rapport van september 2015 en een arbeidskundig rapport van oktober 2015. De Raad oordeelde dat deze rapporten de arbeidskundige en verzekeringsgeneeskundige grondslagen voldoende onderbouwen, waarbij rekening is gehouden met de actuele situatie op de 18e verjaardag van appellant.
De Raad concludeerde dat appellant niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt en geen recht heeft op arbeidsondersteuning volgens de Wet Wajong. De eerdere vernietiging van het besluit werd daarmee herroepen en de afwijzing van de Wajong-aanvraag bevestigd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep.