ECLI:NL:CRVB:2016:1067
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot terugwerkende bevordering en salarisuitbetaling
Appellant, werkzaam bij een gemeente sinds 2000, verzocht het college om met terugwerkende kracht per 1 september 2001 te worden bevorderd naar een hogere functie en het bijbehorende salaris uitbetaald te krijgen. Dit verzoek baseerde hij op vermeende toezeggingen van voormalige medewerkers van de gemeente. Het college wees het verzoek af omdat er geen bewijs was voor dergelijke toezeggingen in het personeelsdossier.
Na een bezwaarprocedure bevestigde het college het besluit en oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat een bevoegd orgaan een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging had gedaan. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan en dat hij zelf getuigen kon benaderen.
De Raad overwoog dat het vertrouwensbeginsel alleen geldt bij uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen door een bevoegd orgaan, waarvan appellant de bewijslast draagt. Er was geen bewijs geleverd voor een dergelijke toezegging. Het enkele noemen van namen was onvoldoende, zeker omdat een genoemde medewerker ontkende de toezegging te hebben gedaan. Bovendien had appellant pas in 2014 juridische stappen ondernomen, terwijl hij al in 2011 belangstelling had getoond voor de functie zonder rechtsmiddelen te gebruiken. Het college hoefde daarom geen verder onderzoek te doen of contactgegevens te verstrekken.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot terugwerkende bevordering en salarisuitbetaling wordt afgewezen wegens gebrek aan ondubbelzinnige toezeggingen.