ECLI:NL:CRVB:2016:1060
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling immateriële schadevergoeding na onrechtmatig ontslag rijksbeveiliger
Appellant, werkzaam als rijksbeveiliger, werd ontslagen wegens vermeend wegnemen van een stereotoren en het afleggen van valse verklaringen. De rechtbank vernietigde het ontslagbesluit wegens onvoldoende bewijs en wees een verzoek om immateriële schadevergoeding af, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij geestelijk letsel had geleden of dat zijn eer en goede naam waren aangetast.
In hoger beroep stelde appellant dat hij door het onrechtmatige ontslag en de beschuldigingen mentaal was geraakt, geen uitkering ontving, geen contact met collega’s mocht onderhouden en daardoor stressklachten en lichamelijke klachten had ontwikkeld. Hij verwees naar jurisprudentie die immateriële schadevergoeding bij geestelijk letsel mogelijk maakt.
De Raad erkende dat appellant mentaal was geraakt door de onterechte beschuldigingen en de gevolgen daarvan, maar oordeelde dat dit niet voldoende is voor een vergoeding van immateriële schade. Ook het geschonden vertrouwen in de overheid en lichamelijke klachten leidden niet tot een ander oordeel. De aantasting van eer en goede naam was niet relevant en de herroeping van het ontslagbesluit bood voldoende genoegdoening.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de afwijzing van de immateriële schadevergoeding en verwierp het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.