Uitspraak
mr. G.A. Vermeijden.
OVERWEGINGEN
WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig medewerker automatisering, viel in juni 2005 uit wegens verslavingsproblematiek en ontving vanaf 2007 een WGA-uitkering. Na een melding van verslechterde gezondheid in 2010 werd een medisch en arbeidskundig onderzoek uitgevoerd, waaruit bleek dat het verlies aan verdienvermogen minder dan 35% bedroeg. Het UWV besloot daarom de uitkering per 25 juni 2012 te beëindigen, wat door appellant werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het UWV het onderzoek zorgvuldig had uitgevoerd en het medisch oordeel voldoende was gemotiveerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat beperkingen in sociaal functioneren niet waren erkend, evenals dat het UWV hem niet voldoende had voorbereid op de beëindiging van de uitkering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst. De Raad onderschrijft het oordeel dat appellant in staat is de werkzaamheden te verrichten die bij de functies horen. Tevens is het UWV bevoegd de uitkering te herbeoordelen en de beëindiging is conform de wettelijke regels uitgevoerd. Het hoger beroep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA- en WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35%.