ECLI:NL:CRVB:2015:767
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op Ziektewetuitkering wegens voldoende belastbaarheid
Appellant was meewerkend voorman en viel wegens ziekte uit op 21 december 2009. Het UWV stelde vast dat appellant vanaf 19 december 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd bevestigd door de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep.
In 2013 meldde appellant zich ziek wegens toegenomen rug- en psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. De verzekeringsarts concludeerde dat appellant vanaf 17 september 2013 geschikt was voor bepaalde functies. Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering, wat door appellant werd aangevochten, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek van het UWV niet zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening hield met de diagnose van de psychiater. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was, waarbij ook rapporten van de huisarts en psychiater waren meegewogen. Er waren geen aanwijzingen voor ernstige psychopathologie en de geselecteerde functies waren niet zwaar belastend.
De Raad bevestigde dat appellant ondanks zijn beperkingen voldoende belastbaar is voor de genoemde functies en dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering wordt bevestigd.