ECLI:NL:CRVB:2015:4907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster, viel uit wegens gehoorklachten, hand- en vingerklachten en psychische klachten. Zij vroeg een WIA-uitkering aan, maar het UWV wees deze af omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat de verzekeringsgeneeskundige grondslag en de arbeidskundige beoordeling juist waren.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar gehoorproblemen en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvolledig waren. Ook vond zij de geselecteerde voorbeeldfuncties medisch niet passend.
De Raad oordeelde dat het onderzoek voldoende was verricht, waarbij de verzekeringsarts had vastgesteld dat appellante redelijk tot goed kan communiceren in een één-op-één situatie en dat er geen aanleiding was om meer beperkingen op te nemen. De medische gegevens van psycholoog, psychiater en audioloog werden meegewogen en gaven geen reden tot twijfel. Ook waren de voorbeeldfuncties passend gelet op de belastende aspecten.
Het hoger beroep slaagde niet en de Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.