ECLI:NL:CRVB:2015:4894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van maatmaninkomen en WAO-uitkering in hoger beroep tegen UWV-besluiten
Appellante, een voormalige activiteitenbegeleidster met een WAO-uitkering, maakte bezwaar tegen vijf besluiten van het UWV over haar uitkering en toeslag. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond en oordeelde dat het maatmaninkomen correct was vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellante dat haar maatmaninkomen op onjuiste informatie was gebaseerd, waardoor haar WAO-uitkering te laag zou zijn. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank ten onrechte niet alle beroepsgronden had meegewogen en vernietigde het deel van de uitspraak dat betrekking had op de besluiten 1, 2, 3 en 5.
De Raad beoordeelde vervolgens de beroepsgronden zelf en concludeerde dat het UWV terecht het bezwaar tegen besluiten 1 en 5 niet-ontvankelijk had verklaard wegens gebrek aan belang. De vaststelling van de maatman en het maatmaninkomen door het UWV was juist en voldoende gemotiveerd door arbeidsdeskundigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd voor het overige.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.