ECLI:NL:CRVB:2015:4826
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 17 april 2013 waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een juiste weergave gaf van zijn belastbaarheid.
In hoger beroep betoogt appellant dat zijn beperkingen door psoriasis, PTSS en depressie zijn onderschat en dat een urenbeperking noodzakelijk is. Hij verzoekt tevens om benoeming van een onafhankelijke deskundige vanwege verergering van zijn klachten. Het UWV verzoekt de aangevallen uitspraak te bevestigen.
De Raad oordeelt dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de medische conclusies van de verzekeringsartsen, die ook de psychische klachten hebben beoordeeld. Er is geen medisch substraat dat een urenbeperking rechtvaardigt en de klachten zijn niet zodanig dat appellant geen normale werkweek kan werken. De arbeidsdeskundigen hebben voldoende gemotiveerd waarom appellant de voorgehouden functies kan vervullen.
Ook het beroep op het verzekeringsgeneeskundig protocol PTSS leidt niet tot een ander oordeel. Er is geen sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid die recht zou geven op een IVA-uitkering. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.