ECLI:NL:CRVB:2015:4814
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en verzekeringsgeneeskundige grondslag in WIA-uitkering
Appellante, werkzaam als rij-instructrice, meldde zich in juni 2011 ziek wegens psychische klachten. Het UWV stelde in april 2013 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd in bezwaar en beroep door het UWV bevestigd en de rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, met name door het dragen van handschoenen vanwege eczeem, onvoldoende waren meegewogen in de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Zij stelde dat zij daardoor niet in staat was om computertaken uit te voeren, ondersteund door een dermatologisch rapport en een latere Ziektewet-procedure waarin haar beperkingen anders waren beoordeeld.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsgeneeskundige rapporten voldoende inzicht en motivatie boden over de beperkingen van appellante en dat het gebruik van handschoenen niet de gehele dag plaatsvond op de relevante datum. Bovendien kon zij, indien nodig, handschoenen zonder vingertoppen dragen om toetsenborden te bedienen. De latere Ziektewet-beoordeling betrof een ander medisch feitencomplex en was niet relevant voor deze zaak.
De Raad bevestigde dat appellante medisch in staat was om de werkzaamheden te verrichten die aan de voorbeeldfuncties waren verbonden en wees het hoger beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt geweigerd.