ECLI:NL:CRVB:2015:4759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks betwisting dringende redenen
Appellante ontving sinds augustus 2010 bijstand naast haar arbeidsongeschiktheidsuitkering, deels als alleenstaande ouder. Het college herzag de bijstand met terugwerkende kracht vanaf januari 2012 vanwege niet-gemelde inkomsten uit voorlopige teruggaaf alleenstaande ouderkorting. De terugvordering van €1.467,16 bruto werd vastgesteld en deels verrekend met de bijstand, rekening houdend met een beslagvrije voet.
Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering, stellende dat deze zou leiden tot onaanvaardbare sociale en financiële consequenties en dat het bedrag onjuist was berekend. De rechtbank wees het beroep af en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat de door appellante aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen vormen om van terugvordering af te zien. De financiële stukken betreffen het verleden en bieden geen inzicht in de actuele gevolgen. Tevens is de beslagvrije voet adequaat vastgesteld, waardoor invordering niet plaatsvindt. De berekening van het terugvorderingsbedrag is door het college gespecificeerd en niet onjuist bevonden.
Daarmee faalt het hoger beroep en wordt de eerdere uitspraak bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand omdat geen dringende redenen zijn aangetoond.