ECLI:NL:CRVB:2015:4759

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 2015
Publicatiedatum
22 december 2015
Zaaknummer
14/2623 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475b RvArt. 475c RvArt. 475d RvArt. 475e Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand ondanks betwisting dringende redenen

Appellante ontving sinds augustus 2010 bijstand naast haar arbeidsongeschiktheidsuitkering, deels als alleenstaande ouder. Het college herzag de bijstand met terugwerkende kracht vanaf januari 2012 vanwege niet-gemelde inkomsten uit voorlopige teruggaaf alleenstaande ouderkorting. De terugvordering van €1.467,16 bruto werd vastgesteld en deels verrekend met de bijstand, rekening houdend met een beslagvrije voet.

Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering, stellende dat deze zou leiden tot onaanvaardbare sociale en financiële consequenties en dat het bedrag onjuist was berekend. De rechtbank wees het beroep af en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.

De Raad oordeelt dat de door appellante aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen vormen om van terugvordering af te zien. De financiële stukken betreffen het verleden en bieden geen inzicht in de actuele gevolgen. Tevens is de beslagvrije voet adequaat vastgesteld, waardoor invordering niet plaatsvindt. De berekening van het terugvorderingsbedrag is door het college gespecificeerd en niet onjuist bevonden.

Daarmee faalt het hoger beroep en wordt de eerdere uitspraak bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand omdat geen dringende redenen zijn aangetoond.

Uitspraak

14/2623 WWB
Datum uitspraak: 22 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 april 2014, 13/2659 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2015. Namens appellante is verschenen mr. Dassen-Vranken. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H.J.A. Bertholet.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 31 augustus 2010 bijstand, in aanvulling op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering. De bijstand ontving zij in verband met co-ouderschap gedeeltelijk naar de norm voor een alleenstaande en gedeeltelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Bij besluit van 28 januari 2013 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2012 herzien op de grond dat appellante haar sinds die datum ontvangen inkomsten uit de voorlopige teruggaaf alleenstaande ouderkorting niet had gemeld. Deze inkomsten worden gekort op de bijstand. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 3 april 2013 heeft het college de door appellante in de periode van
1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 ten onrechte ontvangen bijstand tot een bedrag van € 1.467,16 bruto van appellante teruggevorderd. Daarbij heeft het college tevens besloten het terug te vorderen bedrag vanaf 1 maart 2013 te verrekenen met de bijstand van appellante, waarbij rekening is gehouden met een beslagvrije voet van € 951,81 per maand.
1.4.
Bij besluit van 29 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 april 2013, voor zover gericht tegen de terugvordering, ongegrond verklaard. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering leidt tot onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties. Het bezwaar voor zover gericht tegen de verrekening heeft het college gegrond verklaard. Daarbij is de beslagvrije voet opnieuw berekend en bepaald op € 1.216,29 per maand. Inhoudingen die vanaf 1 maart 2013 zijn gedaan op de bijstand en op het vakantiegeld van appellante, zijn alsnog uitbetaald.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante stelt dat de terugvordering leidt tot onaanvaardbare sociale en financiële consequenties. Zij ziet hierin dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellante ontvangt vanwege haar co-ouderschap minder bijstand, maar krijgt bepaalde tegemoetkomingen zoals kinderbijslag niet. Voorts heeft appellante kosten vanwege haar ziekte en balanceert zij in psychische en fysieke zin op de rand van de afgrond. De beslagvrije voet biedt haar onvoldoende bescherming.
4.2.
De beroepsgrond vermeld in 4.1 slaagt niet. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Wat appellante heeft aangevoerd, betreft geen dringende redenen in voormelde zin. De financiële stukken die appellante heeft ingebracht zien op haar financiële situatie in het verleden en hebben geen betrekking op de gevolgen van de terugvordering. Appellante heeft voorts als schuldenaar bescherming van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het college heeft deze beslagvrije voet voor appellante vastgesteld op € 1.216,29 per maand, waardoor, gelet op het inkomen van appellante, invordering door het college niet plaatsvindt.
4.3.
Ook de beroepsgrond van appellante, dat het terugvorderingsbedrag onjuist is berekend omdat het college uitgaat van een te hoog bedrag aan loonheffing, slaagt niet. Het college heeft middels een specificatie aangegeven hoe hij tot de berekening van de bruto terugvordering is gekomen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door het college toegepaste percentage aan loonheffing onjuist is. De enkele niet onderbouwde stelling dat de loonheffing niet hoger kan zijn dan 37% is daarvoor onvoldoende.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) C.A.W. Zijlstra
HD