ECLI:NL:CRVB:2015:4752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij niet-levensvatbaar bedrijf zelfstandige
Verzoeker exploiteert sinds 2009 een kapperszaak en heeft meerdere keren bijstand aangevraagd op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college heeft bijstand verleend maar ook vastgesteld dat het bedrijf niet levensvatbaar is, waarop verdere bijstand is geweigerd. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen deze besluiten.
De rechtbank heeft het beroep grotendeels ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen vanwege het ontbreken van onverwijlde spoed. Verzoeker heeft in hoger beroep een voorlopige voorziening gevraagd om een voorschot van € 6.500,- te ontvangen voor achterstallig loon aan een werknemer.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend bij onverwijlde spoed, wat inhoudt dat er een actueel financieel spoedeisend belang moet zijn. Verzoeker heeft onvoldoende objectieve en verifieerbare stukken overgelegd waaruit blijkt dat de uitbetaling van het achterstallig loon tot staking van de onderneming zou leiden. Ook is niet gebleken van een acute financiële noodsituatie. Daarom wordt het verzoek afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 22 december 2015.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend financieel belang.