ECLI:NL:CRVB:2015:4736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand onterecht wegens onvoldoende bewijs verblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand sinds 2008 en het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn trok deze bijstand in per 18 juni 2013, met terugvordering van kosten, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij op het uitkeringsadres woonde.
Na een onderzoek met dossieranalyse, huisbezoeken en verklaringen concludeerde het college dat appellant niet op het uitkeringsadres verbleef. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het college onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om de intrekking te rechtvaardigen. Persoonlijke spullen en etenswaren van appellant werden aangetroffen op het uitkeringsadres en zijn verklaring over medicijngebruik werd niet ongeloofwaardig bevonden.
Ook het pin- en pingedrag van appellant bood geen sluitend bewijs voor het ontbreken van verblijf. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en het besluit tot intrekking van de bijstand, en veroordeelt het college in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde.