ECLI:NL:CRVB:2015:4611
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op AOR-uitkering wegens hogere pensioeninkomsten
Appellant, geboren in 1931 en erkend als oorlogsslachtoffer, werd met ingang van 1 oktober 2012 in aanmerking gebracht voor een invaliditeitsuitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder heeft bij besluit van 20 januari 2014 medegedeeld dat de AOR-uitkering niet wordt uitbetaald omdat de overige inkomsten, waaronder pensioenaanspraken van het ABP en SPF-beheer, hoger zijn dan de AOR-uitkering.
Appellant stelde bezwaar in tegen dit besluit, stellende dat het onredelijk is dat zijn neveninkomsten in mindering worden gebracht op de invaliditeitsuitkering die verband houdt met oorlogsleed. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De Raad oordeelde dat artikel 21 van Pro de AOR dwingend voorschrijft dat andere inkomsten op de AOR-uitkering in mindering moeten worden gebracht, waardoor verweerder niet kan afwijken van deze regeling.
De Raad benadrukte dat de AOR een arbeidsongeschiktheidsregeling is die inkomensafhankelijk en aanvullend is, en niet bedoeld is als compensatie voor het oorlogsleed. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de AOR-uitkering niet uit te betalen wegens hogere pensioeninkomsten wordt ongegrond verklaard.