ECLI:NL:CRVB:2015:4610
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag AOR-uitkering wegens ontbreken persoonlijke oorlogscalamiteiten
Appellant, geboren in 1946 in Nederlands-Indië, verzocht om een uitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat appellant persoonlijke calamiteiten had meegemaakt die onder de AOR vallen.
De Raad beoordeelde dat onder oorlogsletsel wordt verstaan lichamelijk of geestelijk letsel veroorzaakt door vijandelijke acties, militaire of burgerlijke handelingen in oorlogstijd, of ongeregeldheden na de Japanse capitulatie. De slechte voedselsituatie van appellant of zijn moeder tijdens internering werd niet als een persoonlijke oorlogscalamiteit aangemerkt, maar als een algemene oorlogsomstandigheid waar velen mee te maken hadden.
Appellant stelde dat het jodiumtekort bij zijn moeder tijdens haar zwangerschap leidde tot zijn huidige medische klachten, maar dit verband werd niet aannemelijk geacht. De Raad concludeerde dat appellant geen slachtoffer is van oorlogsgeweld in de zin van de AOR en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag om AOR-uitkering wordt afgewezen.